comment 0

Amsterdam Transition Town #5: Pop-up in de buurt

Het thema in de vijfde editie van Amsterdam Transition Town was pop-up stores in de buurt en de vraag of deze winkels en concepten op een duurzame wijze gerealiseerd en geëxploiteerd kunnen worden.

Tijdens de avond werden verschillende voorbeelden gepresenteerd, elk met diverse lessen die eruit getrokken konden worden. Het waren echter uitsluitend Amsterdamse voorbeelden die als voorbeeld werden toegelicht. Hierdoor kon er geen benchmark worden gemaakt met andere steden. Steden met een andere context, besluitvorming en beleid. De kracht van het gehele betoog en de voortkomende conclusies over pop-up stores  zouden daardoor veel krachtiger geweest kunnen zijn.

De bijeenkomst was niettemin zeer interessant, omdat de kernvraag over pop-up stores werd behandeld. Pop-up stores blijven namelijk vaak hangen in de tijdelijkheid, omdat er een tijdelijke winkel wordt gehuisvest voor een aantal maanden in een leegstaand pand. Indien een eigenaar een huurder vindt die bijvoorbeeld een vijfjarig huurcontract wil afsluiten zal de ‘leuke’ pop-up store snel verdwijnen.

Door Marcus Fernhout (eigenaar CODUM) werd verslag gedaan van een studiereis naar Berlijn, waar naar bottom-up en pop-up initiatieven werden gekeken. Berlijn kent redelijk veel armoede en er is een hoge werkloosheid. Zo moeten 1.000.000 mensen het doen van minder dan € 10.000 netto per jaar). Stevig gesubsidieerd door de gemeente kunnen burgers en bedrijven pop-up stores openen, maar deze zijn niet duurzaam. Het effect van de verhipping van de buurt door de verschillende winkels is het bekende gentrification. Hierdoor worden de oorspronkelijke bewoners en initiatiefnemers van de winkels verdreven als gevolg van de waarde- en huurstijgingen. De pop-up stores in Berlijn zijn dus veelal niet duurzaam: zij zijn zeer afhankelijk van de gemeente, hebben geen businessmodel waardoor zij kunnen overleven indien de huurprijzen stijgen van de winkelruimte en kunnen zich daarom niet verankeren in de wijk. Fernhout geeft hiermee aan dat indien pop-up stores niet duurzaam zijn dit het gevolg kan zijn en wil daarmee een eerste aanzet geven aan de discussie in de avond. Zeer positief aan Berlijn is dat er ongelooflijk veel creativiteit bestaat, waardoor het zo een bruisende en unieke stad is (waar overigens menig ruimtelijk professional op af komt).

[quote]De vraag naar aanleiding van de avond is vooral of de hippe term ‘pop-up stores’ nog wel de lading dekt van het voorgaande.[/quote]

Wat opviel aan de start van het proces bij het opzetten van de verschillende pop-up stores in Amsterdam, is dat initiatiefnemers aangaven dat het veel geld kost om überhaupt een pop-up store te openen. Men gaf aan dat een pop-up store op de lange termijn vooral maatschappelijk rendabel is, omdat dergelijke initiatieven een positief effect hebben op de wijk waardoor andere bedrijven zich zullen gaan vestigen in de wijk. Maar een forse investering betekent dat het lastig is om pop-up stores duurzaam te maken en de levensvatbaarheid van een dergelijk initiatief te waarborgen. Belangrijk is daarom dat besluitvormers (zoals gemeenten) zich committeren aan het initiatief. Om de duurzaamheid van pop-up stores te garanderen kan volgens Simon van Dommelen (kwartiermaker Noorderpark Trust) worden gestuurd op drie essentiële elementen, namelijk:

  • Verankering in de buurt. Maar hierbij gebruik van het lokale netwerk en maak onderlinge verbindingen.
  • Business modellen. Hoe kunnen pop-up stores overleven? De andere twee elementen zijn hierbij belangrijk.
  • Tijdelijkheid, maar effecten duurzaam maken. Hierbij wordt bedoeld dat de winkels op zichzelf niet duurzaam hoeven te zijn, maar vooral de effecten ervan in de wijk.

 

De vraag naar aanleiding van de avond is vooral of de hippe term ‘pop-up stores’ nog wel de lading dekt van het voorgaande. Die vraag werd onvoldoende behandeld en beantwoord. Het gaat vooral om het zelforganiserend vermogen van pop-up stores – een woord wat sowieso niet werd genoemd.

Zelforganisatie is namelijk het onderliggende theoretische fundament van pop-up stores (evenals zelfbouw, CPO’s, etc.). Bij zelforganisatie is het de maatschappij zelf die de plannen ontwikkeld. Er is dus niet een overheid die de maatschappij top-down stuurt, maar verschillende (private) partijen die bottom-up initiatieven ontwikkelen. De definitie is: “Initiatives that originate in civil society from autonomous community-based networks of citizens, who are part of the urban system but independent of government procedures” (Boonstra & Boelens, 2011, p.113).

Zelforganisatie kan een middel zijn om op een juiste wijze met de heterogeniteit en toenemende pluraliteit van de (netwerk)samenleving om te gaan, door vanuit de maatschappij ontstane initiatieven te ondersteunen en zo de samenleving (of de burger) in ‘pole position’ te zetten. Een belangrijk verschil met participatie is dat het initiatief echt bij de burgers zelf vandaan komt en dat burgers niet deelnemen omdat de overheid dit van hen vraagt (Murdoch, 2006).

Planners en overheden in een zelforganiserende samenleving lossen niet zelf problemen op, maar faciliteren het proces van zelforganisatie. In dat proces kunnen planners en overheden ook deelnemen, door deze processen inzichtelijker, democratischer en krachtiger te maken.

[quote]Planners en overheden in een zelforganiserende samenleving lossen niet zelf problemen op, maar faciliteren het proces van zelforganisatie. In dat proces kunnen planners en overheden ook deelnemen, door deze processen inzichtelijker, democratischer en krachtiger te maken.[/quote]

Tijdens mijn studie is er in een groep van zeven personen (o.a. met bloggenoten Sander van Lent en Martijn Tabak) een omvangrijk onderzoek gedaan naar zelforganisatie bij de City Sjopping Mol, een pop-up store in het centrum van Almere. De conclusies van dit onderzoek zijn o.a. dat politieke agendering noodzakelijk is, er draagvlak moet bestaan onder betrokken actoren, het kosteneffectief moet zijn (lees: een gezond businessmodel) en er meerwaarde bestaat voor de betrokken actoren. Daarnaast bestond er een kennisprobleem, omdat de actoren elkaar niet begrepen en niet wist wat elkaars behoeften waren. Ten slotte is leegstand een absolute voorwaarde.

Tijdens de avond in Pakhuis de Zwijger is gebleken dat de duurzame weg naar zelforganiserend vermogen is ingezet, maar dat het traject tot een daadwerkelijke onafhankelijkheid van subsidies nog lang is. In het achterhoofd houdend dat de subsidiepotten steeds verder opdrogen, is het echter wel noodzakelijk om duurzame businessmodellen te creëren.

 

Sprekers Amsterdam Transition Town #5

Met o.a. Eva de Klerk (Heesterveld), Jeroen Jonkers (Geef om de Jan Eef), Maaike Poppegaai (Mama Louise), Marcus Fernhout (CODUM), Simon van Dommelen (Kwartiermaker Noorderpark Trust), Conny Heemskerk (Ymere), Mattijs Kaak (Property Upgrade), Rianne van Loon (Kamer van Koophandel) en Patrick van Beveren (Gemeente Amsterdam).

Boonstra, B. & Boelens, L. (2011) Self-organisation in Urban Development, Towards a new perspective on spatial planning; in: Urban Research & Practice Vol.4, No.2, July 2011, pp. 99-122.

Latour, B. (2005). Reassembling the social. An introduction to actor-network theory. New York: Oxford University Press.

Murdoch, J. (2006). Spaces of heterogeneous Associations. In: Poststructuralist Geography. London: Sage, pp. 56.

Filed under: Artikelen

About the Author

Roy Slegtenhorst
Posted by

Roy (1988) heeft de masterstudie Planologie aan de Universiteit Utrecht afgerond. Zijn masterthesis heeft hij geschreven bij de vernieuwende ontwikkelaar CODUM en had de problematiek op de kantorenmarkt als onderwerp, waarbij is gefocust op interacties tussen actoren en instituties. Meer lezen.

Leave a Reply