comment 0

Waanzin van de lijstjes

Recent is een nieuwe editie van de Atlas voor Gemeenten gepresenteerd. In menig stadhuis zal met gejuich –of juist een slecht humeur voor die dag–gereageerd zijn op de nieuwste editie. Een ranglijst van het Nederlandse stedelijke landschap met primetime aandacht van de publieke omroep. Er zijn podiumplaatsen voor Amsterdam, Utrecht en Amstelveen en een 10e plaats voor grijze muis Leidschendam-Voorburg. Vier redenen waarom het classificeren van steden onzin is.

1. Er is geen sprake van een internationaal of nationaal level playing field tussen de Nederlandse steden. Alle steden, of het nu gaat om Amsterdam, Zwolle of Breda, worden in één dezelfde vergelijking meegenomen. Terwijl er toch een groot verschil zit in de mate van stedelijkheid en het schaalniveau waarop de stad betekenis heeft (of het achterland, zo u wilt). Amsterdam en Rotterdam en de rest van de Randstad hebben Europese betekenis en tot op zekere hoogte ook internationale betekenis. Hoe anders is dat bij Apeldoorn, Leeuwarden of Venlo? Atlas voor Gemeenten durft echter Amsterdam (#1) en Venlo (#47) in dezelfde vergelijking van 50 steden op te nemen. Ook op een lager schaalniveau zijn de verschillen groot. Steden in de Randstad of Zuid-Limburg bevinden zich in een geheel andere dynamiek, context en regionale betekenis dan bijvoorbeeld Groningen. Terecht is men in Zuid-Limburg dan ook ‘not amused’.

2. De concurrentie-valkuil: ranglijsten zijn een verkeerde stimulans. De overmatige (neoliberale) focus op competitie tussen steden veroorzaakt leegstand en overaanbod.De gevolgen voor de financiële positie van gemeenten zijn bekend. Wethouders en beleidsmakers worden verleid tot ‘voorwaardescheppend beleid’ door het aansporen van competitie (zie proefschrift Han Olden ‘Uit voorraad leverbaar’). De gedachte dat nieuw aanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantorenlocaties, detailhandelslocaties leidt tot meer inwoners en economische groei, en daarmee een betere positie op de ranglijst. De nieuwe ontwikkeling van bedrijventerreinen leidt tot meer economische groei en daarmee een betere positie ten opzichte van andere steden. Lijstjesdenken stimuleert dit gedrag. Meest treffend is de indicator ‘bruto gemeentelijk product’, oftewel de arbeidsproductiviteit van de stad. Eerder schreven we al een artikel over de perverse structuur van consumentisme en welvaartsdenken gebaseerd op economische groei en zelfontplooiing als alternatieve norm voor welvaart.

3. De methodiek van de Atlas leunt zwaar op het gedachtegoed van Richard Florida. Dit is onder andere terug te vinden in de gehanteerde indicatoren. De indicator ‘woonaantrekkelijkheidsindex’ kent bijvoorbeeld een aantal subindicatoren die sterk van toepassing zijn op de bovenlaag van de samenleving, zoals het culinaire aanbod, het aanbod van universiteiten en het historische karakter van de stad. De atlas stelt ook expliciet dat de woonaantrekkelijkheidsindex gericht is op ‘economisch kansrijke huishoudens’. Een stad is echter een verzameling van verschillende huishoudens, zowel economisch kansrijk maar ook minder economisch kansrijk: ze delen wel dezelfde stad. Zef Hemel schreef hier recent een goede blog over. De maatschappij is toenemend individualistisch en gesegregeerd, maar de staat van de stad (en de ranglijst) wordt bepaald met indicatoren die vooral gelden voor één specifieke bevolkingsgroep.

De gedachtegang van de Atlas is overigens tegelijkertijd curieus en interessant: stelt u zich een wethouder voor die opdracht geeft om de mogelijkheden te onderzoeken om de Febo bestemmingsplantechnisch uit de stad te weren. Immers, een Michelinster scoort beter in de ranglijsten. Wellicht is het de moeite waard om eens te onderzoeken of de ‘automatiekdichtheid’ correleert met probleemwijken…

[quote]Immers, een Michelinster scoort beter in de ranglijsten.[/quote]

4. Het gebruik van ranglijsten stimuleert het kortetermijndenken. Aangezien de Atlas zo breed uitgemeten wordt in de media (daarbij actief geholpen door de voorlichters van de verschillende steden) is het politiek gezien interessanter om te investeren in oplossingen op de korte termijn en daarmee ‘hoge ogen te gooien’ in de volgende editie van de atlas. Investeringen die de stad structureel (ruimtelijk) versterken op de lange termijn zijn niet interessant in een ranglijst, hoewel de ranglijst wel grotendeels berust op indicatoren met een lage dynamiek (aanbod koopwoningen, aantal universiteiten, bereikbaarheid van natuurgebieden, aanbod werkgelegenheid). Slechts een serie indicatoren is op de korte termijn makkelijk te beïnvloeden, gevaar schuilt dan ook in het ontstaan van beleid gericht op de waan van de dag.

Vergelijkbaar zijn de ranglijsten van universiteiten. Met enige regelmaat publiceren de universiteiten trots hun behaalde posities op nationale en internationale lijstjes. Maar is de Universiteit van Amsterdam nu zoveel beter of slechter dan de Universiteit van Tilburg, afgezet tegen de internationale resultaten ?Hoogleraren en docenten worden niet beoordeeld op hun onderwijskwaliteiten maar op de aantallen publicaties en citaten. Is dat bij steden niet hetzelfde? Woonruimte, restaurants, universiteiten, internationale accountantskantoren, parken, natuurgebieden: ze zijn allemaal onderdeel van de stad. Maar ze maken niet de stad. De stad wordt gemaakt door de mensen, en de wijze waarop ze de stad benutten in hun dagelijkse leven voor hun eigen ontplooiing. Daarmee geven ze vorm en onderscheid aan de stad. Iedere stad heeft zijn eigen unieke positie dankzij de eigen unieke inwoners, of ze nu meer- of minderheid zijn. Op welk lijstje ze ook staan.

Leave a Reply